M.C. Escher: De vroege jaren (1898–1922)
De wereld kent Maurits Cornelis Escher (1898-1972)
als de man van de onmogelijke gebouwen, de trappen die nergens heen gaan en de vogels die in vissen veranderen. Maar voordat hij deze wereldberoemde kunstenaar werd, was hij een jongen die worstelde met school, die hield van de natuur en die pas laat ontdekte waar zijn echte talent lag. Dit is het verhaal van zijn eerste 24 jaar, de jaren waarin de basis werd gelegd voor alles wat nog zou komen.
Een kind in het Princessehof (1898–1903)
Maurits werd geboren op 17 juni 1898 in Leeuwarden, de hoofdstad van Friesland. Hij was de vijfde en jongste zoon van George Arnold Escher. Zijn vader was een zeer intelligente man, een waterbouwkundig ingenieur die jarenlang in Japan had gewerkt om daar havens en dammen te bouwen. Zijn moeder was Sara Gleichman, de tweede vrouw van George.
Maurits kreeg de roepnaam “Mauk”. Hij groeide op in een omgeving van intellect en discipline, maar ook van comfort. Het gezin woonde in een prachtig stadspaleis genaamd het Princessehof. Het is bijna symbolisch dat dit huis later een keramiekmuseum werd; de muren waar Mauk als baby tussendoor kroop, zouden later gevuld worden met kunst.
Als kind was Mauk niet erg sterk. Hij was vaak ziek en had een fragiel gestel. Dit zorgde ervoor dat hij veel tijd binnenshuis doorbracht, waar hij leerde om zichzelf te vermaken door goed te kijken naar de dingen om hem heen. Zijn vader stimuleerde de nieuwsgierigheid van zijn zonen, maar verwachtte ook dat ze hard zouden werken.
De Arnhemse Jaren en de Worsteling op School (1903–1918)
In 1903 verhuisde het gezin naar Arnhem voor het werk van vader George die uiteindelijk in 1908 met pensioen ging. George wilde in een mooie, groene omgeving wonen. Arnhem, met zijn parken en bossen, was daarvoor de perfecte plek. Ze trokken in een groot huis aan de Utrechtseweg. Tot aan 1906 was Mauk (Maurits Cornelis) echter niet vaakin Arnhem, hij was regelmatig in o.a Zandvoort en Noordwijk aan Zee te vinden voor rust en herstel. Na voldoende hertstel begon de voor de jonge Mauk de tijd van de Arnhemse schoolbanken, en dat was geen gelukkige periode. Hoewel hij uit een gezin van wetenschappers en ingenieurs kwam, was Maurits geen uitblinkende leerling. Hij had grote moeite met concentratie en de meeste vakken interesseerden hem simpelweg niet. Wel is er een beginnende interesse voor sterrenkunde, muziek en natuur. Samen met zijn vader zag hij o.a. de komeet Halley, de pianolessen waren een prettige afleiding en de lange wandelingen in de natuur waren verhelderend.
In 1912 ging hij naar de HBS (Hogere Burgerschool) in Arnhem. Het is een van de grootste ironieën uit de kunstgeschiedenis dat M.C. Escher, wiens werk later door wiskundigen over de hele wereld zou worden aanbeden, op school zakte voor wiskunde. Hij begreep de abstracte formules en de droge cijfers niet. Voor hem moest de wereld visueel zijn; hij moest het kunnen zien en aanraken. Hij bleef twee keer zitten op de middelbare school. Zijn leraren zagen een stille, wat dromerige jongen die niet goed mee kon komen.
Er was echter één vak waar hij in uitblonk: tekenen. Zijn tekenleraar op de HBS was F.W. van der Haagen. Van der Haagen was een belangrijke figuur in het leven van de jonge Escher. Hij zag dat Maurits een bijzonder gevoel had voor compositie en detail. Hij was degene die Maurits kennis liet maken met de techniek van de linoleumsnede.
In plaats van alleen met potlood op papier te werken, leerde Mauk hoe hij met mesjes vormen uit een zacht materiaal kon snijden. Een van zijn eerste bekende werken uit deze tijd is een portret van zijn vader uit 1916, gemaakt in paarse inkt. Het was nog eenvoudig, maar de precisie die hem later beroemd zou maken, was al zichtbaar.
Op HBS leerde hij ook meerdere, levenslange vrienden kennen, o.a. Bas Kist, Roosje Ingen ousz en Jan en Fiet van der Does. Ondertussen, in maart 1917, verhuisde de familie nogmaals, ditmaal van Arnhem naar Oosterbeek.
In 1918 behaalde Maurits, ondanks zijn moeizame schoolcarrière, eindelijk zijn diploma. Zijn vader had een duidelijk plan voor zijn jongste zoon: hij moest architect worden. Dat was een respectabel beroep waarin techniek en tekenen samenkwamen. Maurits schreef zich in aan de Technische Hogeschool in Delft. Maar Delft was een ramp. Het werd al snel duidelijk dat Maurits nooit een ingenieur of architect zou worden in de zin die zijn vader voor ogen had. Hij stopte met zijn studie in Delft, tot teleurstelling van zijn familie. Wel bracht Delft zijn eerste publicatie (Groentijd in de StudentenAlmanak) en de eerste hootsnede (ExLibris voor Roosje Ingen Housz).
De Redding in Haarlem: Samuel Jessurun de Mesquita (1919–1922)
Na het gedoe in Delft besloot Maurits het nog één keer te proberen met een studie die raakte aan de wensen van zijn vader, maar meer ruimte bood voor zijn creativiteit. In 1919 verhuisde hij naar Haarlem om te studeren aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten. Hij begon wederom in de richting architectuur, maar het lot greep in.
Hij liet enkele van zijn grafische probeersels (zijn linosneden en houtsneden) zien aan de leraar grafische kunsten, Samuel Jessurun de Mesquita. De Mesquita was een Joodse kunstenaar met een heel eigen, sterke stijl. Hij zag onmiddellijk dat Maurits een natuurtalent was voor de grafiek. Hij overtuigde de jonge student en zijn ouders ervan dat Maurits onmiddellijk moest overstappen naar de afdeling grafische kunst. De Mesquita zei letterlijk dat Maurits te goed was om zijn tijd te verdoen aan architectuurtekeningen.
Onder leiding van De Mesquita bloeide Escher eindelijk op. Hij vond in De Mesquita niet alleen een leraar, maar een mentor en een vriend. De Mesquita leerde hem de techniek van de houtsnede. Dit is veel moeilijker dan linoleum; hout is hard en heeft een nerf waar je rekening mee moet houden. Je moet vechten met het materiaal.
In deze periode begon Escher zijn eigen stijl te ontwikkelen. Hij was nog niet bezig met de ‘onmogelijke werelden’, maar hij experimenteerde wel al met vlakvullingen, contrast en natuurvormen. Het werk Flor de Pascua bevat veel van deze elementen met o.a. de Zondebok en Mooi. Hij was een ijverige student. Terwijl andere studenten misschien uitgingen in Haarlem, zat Maurits urenlang gebogen over zijn houten blokken, met kleine beiteltjes werkend aan details die bijna onzichtbaar waren voor het blote oog.
Tegen 1922 was Maurits klaar met zijn opleiding. Hij had zijn techniek onder de knie en begon een beetje naam te maken. Een paar publicaties, een paar opdrachten, al dan niet betaalt, waren het pas het begin voor de ontluikende kunstenaar. Zonder de mislukking in Delft, de aanmoediging van De Mesquita en de strenge maar liefdevolle opvoeding van zijn vader, zou de latere Escher nooit zijn ontstaan. In 1922 pakte hij zijn koffers. Zijn bestemming was Italië, en vanaf dat moment zou zijn kunst voorgoed veranderen.
Meer informatie volgt, we zijn bezig met nieuwe teksten!
