Baarn, oorlog en doorbraak (1941–1959)
Verhuizing naar Baarn
De Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland en België maakten een terugkeer naar Nederland noodzakelijk. In Baarn huurde het gezin een deel van een huis aan de Nicolaas Beetslaan. Escher richtte zijn atelier in achter in de garage, waar hij bijna dagelijks werkte.
De verhuizing naar Baarn markeerde een belangrijke nieuwe fase voor Escher. Het zonnige Italiaanse landschap, dat hem jarenlang had geïnspireerd, maakte plaats voor de Nederlandse omgeving. Zijn aandacht verschoof steeds meer van landschappen naar onderwerpen die voortkwamen uit zijn eigen verbeelding. Hij hield zich vooral bezig met het vullen van een plat vlak met herhalende figuren. Hij creëerde patronen waarin bijvoorbeeld vissen, vogels, reptielen en andere dieren geleidelijk in elkaar overgingen. Hij had zich hier al voor zijn verhuizing in verdiept; in Baarn zette hij deze ontwikkeling intensief voort. In de zomer van 1941 maakte hij tien nieuwe vlakvullingen.
Werk tijdens de oorlog
De oorlog had een grote invloed op zijn leven en werk. In november 1941 werd de Nederlandsche Kultuurkamer opgericht; kunstenaars waren verplicht lid te worden om te mogen exposeren of publiceren. Escher weigerde zich aan te melden, omdat lidmaatschap inhield dat hij zich formeel zou schikken naar het cultuurbeleid van de Duitse bezetter. Door zijn weigering werd het moeilijker om zijn werk officieel te verspreiden. Desondanks bleef hij tekenen en experimenteren, met name met vlakvullingen.
Een ingrijpende gebeurtenis in deze periode was de dood van Eschers voormalige leermeester, Samuel Jessurun de Mesquita. De Mesquita, een Joodse kunstenaar bij wie Escher zijn opleiding had gevolgd, werd in januari 1944 door de bezetter gedeporteerd en kwam later om het leven in Auschwitz. Escher vernam pas van hun lot toen hij hen in februari wilde bezoeken. Hij zorgde ervoor dat een deel van De Mesquita’s grafische werk en tekeningen behouden bleef.
Ondanks de moeilijke omstandigheden ontwikkelde Escher in de jaren veertig een steeds persoonlijkere stijl. Zijn werk draaide niet langer uitsluitend om mooie landschappen of decoratieve patronen. Hij begon steeds meer te spelen met het contrast tussen twee- en drie-dimensionaliteit, beweging, perspectief en de vraag wat er werkelijk mogelijk is in een beeld. In 1943 maakte hij bijvoorbeeld Reptielen, waarin een tweedimensionaal vlakvullend patroon overgaat in een driedimensionale scène. In 1944 volgde Ontmoeting, waarin hij opnieuw verschillende ruimtelijke werkelijkheden combineerde.
Vrijheid om zijn werk te tonen
Na de oorlog kreeg Escher meer gelegenheid om zijn eigen ideeën verder te ontwikkelen. In 1946 maakte hij kennis met de mezzotint, een grafische techniek waarmee hij uiterst fijne lijnen, schaduwen en details kon creëren. Een voorbeeld hiervan is Dauwdruppel uit 1948. Tegelijkertijd bleef hij werken aan zijn vlakvullingen en optische experimenten. Zijn belangstelling voor wiskundige patronen nam toe, hoewel hij zichzelf niet als wiskundige beschouwde. Hij ontdekte op eigen kracht hoe symmetrie en herhaling konden worden ingezet om oneindige patronen te suggereren.
Belangstelling van over de oceaan
In die jaren was Escher nog lang geen wereldberoemd kunstenaar. Hij had weliswaar tentoonstellingen gehad en zijn prenten werden door een kleine groep bewonderd, maar van grote commerciële bekendheid was nauwelijks sprake. Dat begon rond 1950 te veranderen. In dat jaar exposeerde Escher in Antwerpen samen met negen andere grafici. De Belgische kunstenaar en schrijver Mark Severin was onder de indruk van zijn werk en schreef erover in het Britse kunsttijdschrift The Studio. Dat artikel bleek van groot belang te zijn.
Een Amerikaanse journalist las het artikel en besloot Escher in zijn atelier in Baarn te bezoeken. Vervolgens verschenen er in 1951 artikelen over Escher in The Studio, Time en Life. Vooral de Amerikaanse publicaties zorgden voor een sterke toename van de belangstelling voor zijn werk in de Verenigde Staten. Daarmee begon Eschers internationale doorbraak. Zijn roem zou in de jaren daarna snel groeien, maar in 1951 stond hij nog aan het begin van die ontwikkeling.
De plotselinge belangstelling had ook een keerzijde. Escher maakte zijn houtsneden en litho’s grotendeels zelf en moest daardoor persoonlijk de grote aantallen prenten produceren die Amerikaanse liefhebbers wilden kopen. Zijn prent Dag en nacht uit 1938 werd bijzonder populair. Uiteindelijk zou hij deze prent honderden keren opnieuw afdrukken. Hoewel hij blij was met de belangstelling, kostte het drukken ervan veel tijd, tijd die hij liever besteedde aan het maken van nieuw werk. Escher probeerde uiteindelijk de prijzen te verhogen om de vraag te beperken, maar dat had weinig effect. Zijn werk bleef populair.
Ondertussen bleef Baarn een belangrijke inspiratiebron. Bijna elke avond na het eten maakte Escher wandelingen door de bossen van Baarn en Lage Vuursche. Hij noemde deze wandelingen zijn ‘kronkelende ommetjes’. Tijdens deze tochten observeerde hij bomen, wegen, plassen, schaduwen en weerspiegelingen. Vanaf 1951 begon hij ideeën voor nieuwe prenten in zijn dagboek te noteren. Een van die ideeën groeide uit tot *Modderplas*, een kleuren-houtsnede uit februari 1952. Hierin combineerde hij een eenvoudige modderplas met de weerspiegeling van de nachtelijke hemel en de bomen rondom de plas. Een alledaags tafereel werd zo omgevormd tot een bijna oneindige wereld van reflecties en patronen.
In de jaren daarna richtte Escher zich steeds meer op de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ruimte. Hij onderzocht hoe een plat vlak de indruk van een driedimensionale wereld kon wekken en hoe perspectief de kijker op het verkeerde been kon zetten. In juli 1953 maakte hij Relativiteit, een van zijn beroemdste werken. In deze prent bestaan verschillende zwaartekrachtrichtingen naast elkaar. Figuren bewegen zich over trappen en door gangen, maar wat voor de ene figuur een vloer is, is voor de andere een muur.
Groeiende populariteit en hervatting van reizen
Een belangrijk moment brak aan in 1954. In september werd er tijdens het Internationaal Wiskundecongres een grote tentoonstelling van Eschers werk georganiseerd in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hierdoor kwamen veel wiskundigen en wetenschappers met zijn werk in aanraking. Daarnaast had Escher in oktober en november een tentoonstelling in de Whyte Gallery in Washington. In Amerika verkocht zijn werk goed en ontstond er een steeds grotere groep verzamelaars.
In 1955 verhuisde Escher binnen Baarn naar een nieuwe woning aan de Van Heemstralaan. Hij liet daar een huis bouwen met werkruimte. Dat jaar was bijzonder productief. Hij maakte onder meer Drie werelden, waarin een vijver, bomen en vissen op unieke wijze met elkaar verbonden zijn. Zijn belangstelling voor reflecties en verschillende werkelijkheden kwam in dit werk opnieuw duidelijk naar voren. Ook werd hij op 30 april 1955 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De onderscheiding werd hem onverwacht in zijn atelier uitgereikt door vertegenwoordigers van de gemeente Baarn.
In 1956 vond nog een belangrijke ontwikkeling plaats. Escher begon een intensieve correspondentie met Bruno Ernst, een Nederlandse wiskundeleraar die zeer geïnteresseerd was in zijn werk. De gesprekken en brieven tussen de twee gingen onder meer over Eschers ideeën over ruimte, oneindigheid en vlakvullingen. Dit contact zou uiteindelijk vele jaren duren en later leiden tot een boek over Escher. Ook zijn reizen werden in deze periode belangrijker. Vanaf 1954 hervatte Escher zijn jaarlijkse reizen door het Middellandse Zeegebied. Hij had het Italiaanse landschap altijd gemist en deed tijdens deze reizen nieuwe inspiratie op. Toch bleven Baarn zijn vaste woon- en werkplaats. De bossen en het landschap rond zijn huis leverden ideeën op voor nieuwe prenten, terwijl zijn atelier de plek bleef waar hij die ideeën uitwerkte.
Regelmatige vlakverdeling
In 1958 verscheen zijn boek Regelmatige vlakverdeling . Eveneens in 1958 maakte hij Belvedere, een prent waarin een ogenschijnlijk logisch gebouw uiteindelijk onmogelijk blijkt te zijn. Bovendien raakten zijn ideeën in datzelfde jaar op interessante wijze verbonden met de wiskunde. De Britse wiskundige Roger Penrose en zijn vader Lionel Penrose publiceerden in 1958 een artikel over onmogelijke objecten. Hun ideeën zouden later een belangrijke inspiratiebron vormen voor Eschers werk.
Cirkellimiet
De relatie van Escher met wetenschappers en wiskundigen werd een belangrijk onderdeel van zijn latere carrière. Hij correspondeerde met mensen die wiskundige ideeën in zijn werk herkenden, onder wie de wiskundige H. S. M. Coxeter. Coxeters werk op het gebied van meetkunde en oneindigheid hielp Escher manieren te vinden om eindeloze patronen binnen een eindige afbeelding weer te geven. Eschers werken uit de serie Cirkellimiet zijn bijzonder belangrijke voorbeelden van deze belangstelling. In plaats van vormen simpelweg op dezelfde grootte te laten herhalen, ontwierp Escher een patroon waarin de vormen naar de randen toe steeds kleiner worden. Deze belangstelling voor oneindigheid en herhaling zou een van de kenmerkende eigenschappen van zijn latere werk blijven.
De periode 1951–1959 was daarmee bepalend voor Eschers ontwikkeling. Zijn internationale doorbraak begon in 1951, met name in de Verenigde Staten. In de jaren daarna groeide hij uit tot een kunstenaar die niet alleen door het grote publiek, maar ook door wiskundigen en wetenschappers werd bewonderd. Tegelijkertijd bleef hij relatief rustig en zelfstandig in Baarn werken. Het bos, zijn atelier en zijn dagelijkse omgeving vormden een stabiele basis voor zijn voortdurende experimenten met perspectief, symmetrie, oneindigheid en optische illusies. Tegen het einde van de jaren vijftig was Escher niet langer een weinig bekende graficus, maar een internationaal gerespecteerd kunstenaar met een geheel eigen beeldtaal.
De laatste jaren (1960–1972)
Begin jaren zestig was Escher al een ervaren kunstenaar die de zestig was gepasseerd. Zijn artistieke interesses waren aanzienlijk veranderd ten opzichte van de Italiaanse landschappen die zijn eerdere oeuvre hadden gekenmerkt. Hij raakte steeds meer gefascineerd door wiskundige patronen, vlakvullingen, onmogelijke constructies, oneindigheid en de transformatie van de ene vorm in de andere. In plaats van simpelweg weer te geven wat hij zag, probeerde Escher ideeën te verbeelden die onmogelijk leken te visualiseren. Zijn werk deed de gangbare regels van het perspectief vaak onbetrouwbaar lijken.
Het jaar 1960 was bijzonder belangrijk. In maart voltooide Escher Klimmen en Dalen, een van zijn beroemdste litho’s. De prent toont figuren die eindeloos op en neer lopen over een trap in een onmogelijke architectonische constructie. Op het eerste gezicht lijkt de trap logisch, maar bij nadere beschouwing blijkt dat deze niet in de werkelijkheid kan bestaan. Eschers prestatie bestond er niet alleen uit een onmogelijk object te creëren, maar ook om het er overtuigend uit te laten zien. Elk architectonisch detail, elke figuur, schaduw en perspectieflijn draagt bij aan de illusie. Ook rondde hij zijn serie Cirkellimiet af met Cirkellimiet IV (Hemel en hel), ook wel bekend als Engelen en Duivels.
Eschers fascinatie voor onmogelijke architectuur hing nauw samen met zijn belangstelling voor wiskunde en wetenschappelijke ideeën. Hoewel hij geen formele opleiding tot wiskundige had genoten en zichzelf vaak omschreef als iemand die visueel werkte in plaats van met wiskundige formules, kreeg hij steeds meer bewondering vanuit de wiskundige wereld. Een belangrijke invloed was de Britse wiskundige Roger Penrose. Penrose had het concept van de ‘onmogelijke driehoek’ ontwikkeld: een object dat driedimensionaal lijkt, maar niet kan bestaan in de gewone fysieke ruimte.
In 1961 voltooide Escher Waterval, een litho die uitgroeide tot een van zijn bekendste werken. Het water lijkt door een goot te stromen en daarbij bergopwaarts te gaan, alvorens over de rand te vallen en in hetzelfde systeem terug te keren. De constructie wekt de illusie van een perpetuum mobile: het water lijkt eindeloos te dalen en tegelijkertijd op de een of andere manier terug te keren naar het beginpunt. Het werk toont Eschers buitengewone vermogen om wiskundige principes te combineren met artistieke verbeeldingskracht.
In 1963 maakte Escher Möbiusband II, waarmee hij zijn verkenning van wiskundige structuren voortzette. Het jaar daarop creëerde hij Vierkantlimiet, opnieuw een belangrijk werk dat gebaseerd was op de systematische verdeling van het vlak en een variatie vormde op de Circle Limit-reeks.
Eschers creatieve productie zette zich voort tot halverwege het decennium. In 1965 maakte hij Knopen, een houtsnede die zijn belangstelling toonde voor driedimensionale vormen, wiskundige structuren en onmogelijke of uiterst complexe objecten. Zijn werk hield zich in toenemende mate bezig met vraagstukken zoals hoe een plat vlak diepte kon suggereren, hoe een eindige afbeelding oneindigheid kon suggereren en hoe een vertrouwd voorwerp kon worden omgevormd tot iets dat logisch gezien onmogelijk was.
Halverwege de jaren zestig genoot Escher internationale erkenning, al kwam zijn artistieke succes pas op latere leeftijd. In tegenstelling tot veel beroemde kunstenaars maakte hij geen deel uit van een grote kunststroming en werkte hij het grootste deel van zijn carrière zelfstandig. Hij was geen surrealist, ook al hadden sommige van zijn werken droomachtige kenmerken. In plaats daarvan ontwikkelde Escher een eigen beeldtaal, gebaseerd op nauwkeurige observatie, wiskundige structuren, symmetrie, transformatie en optische illusie. Zijn werk nam een unieke positie in tussen kunst en wetenschap.
Van 1967 tot 1968 werkte Escher aan Metamorfose III, een enorme houtsnede die een vervolg was op zijn eerdere werk Metamorfose II. In zijn metamorfosecomposities verandert de ene herkenbare vorm geleidelijk in de andere: patronen worden dieren, dieren worden geometrische vormen en geometrische vormen worden architectonische structuren of landschappen. De toeschouwer wordt uitgenodigd om een doorlopende keten van transformaties te volgen, waarbij er geen duidelijke grens is tussen de ene en de andere vorm.
In 1968 zette Escher een belangrijke stap om zijn werk te behouden door zelf de M.C. Escher Stichting op te richten. De stichting werd specifiek in het leven geroepen om zijn artistieke nalatenschap te bewaren en te beschermen. Dit besluit was van groot belang, omdat Escher besefte dat zijn werk een betekenis had gekregen die zijn eigen leven oversteeg. Bovendien had hij nu de vrijheid om zich op zijn kunst en gezondheid te richten, zonder de beslommeringen van de zakelijke kant die zijn werk inmiddels met zich meebracht.
Laatste werk
Eschers laatste werk was Ringslangen, voltooid in juli 1969. Het vormde een bijzondere afsluiting van zijn artistieke loopbaan. De houtsnede toont in elkaar grijpende slangen die rondom een cirkelvormig patroon zijn gerangschikt. Naarmate de slangen het midden en de buitenrand naderen, worden ze steeds kleiner, wat een buitengewone indruk van oneindigheid wekt. Het werk getuigt van de technische precisie die Eschers kunst zijn hele carrière lang kenmerkte, en grijpt tegelijkertijd terug op zijn levenslange fascinatie voor oneindigheid en transformatie. In de officiële catalogus staat *Ringslangen* vermeld als zijn laatste voltooide grote prent.
Het jaar 1969 was ook van belang omdat Escher centraal stond in een film die in opdracht van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken werd gemaakt. De film, van de hand van Han van Gelder, toonde Escher aan het werk en bracht zijn artistieke proces in beeld. Het hielp om zijn persoonlijkheid en werkwijze bij een breder publiek bekend te maken. Tot het gefilmde materiaal behoorde zijn werk aan zijn laatste houtsnede, Slangen. De film kreeg later internationale erkenning en werd in 1972 genomineerd voor een Academy Award.
Achteruitgang van de gezondheid
Begin jaren zeventig ging Eschers gezondheid zienderogen achteruit en werd zijn woonsituatie problematisch. Een vriend, Jobs Wertheim, wees hem op het pas opgerichte Rosa Spier Huis, een woon- en werkcentrum voor kunstenaars. Na een laatste reis om familie in Canada te bezoeken, meldde hij zich eind 1969 aan. Rond september 1970 kon hij er zijn intrek nemen.
Begin 1971 waren er duidelijke tekenen van een verslechterende gezondheid en werd Escher in het ziekenhuis opgenomen. Hij herstelde, maar in februari 1972 werd hij opnieuw opgenomen – naar later bleek voor de laatste keer.
In december 1971 ontving hij het eerste exemplaar van De werelden van M.C. Escher:
De titel is eigenlijk het enig waar ik een beetje kwaad om ben; hoe heb ik ooit mijn toestemming kunnen geven voor zo’n bralleputterige benaming. Natuurlijk staat “Andere Wereld”, als afbeelding, in fraaie kleuren, op de band en gelukkig hebben ze die “werelden” van MCE met een kleine w gedrukt, maar toch…
Overlijden
Escher overleed op 27 maart 1972 op 73-jarige leeftijd. Zijn dood markeerde het einde van een carrière die de mogelijkheden van de grafische kunst had getransformeerd. Hij liet meer dan 2.000 tekeningen en honderden prenten na, waaronder houtsneden, houtgravures, litho’s en ander grafisch werk. In zijn laatste creatieve periode had hij zich niet slechts als Nederlands kunstenaar, maar als een internationaal figuur gevestigd, wiens werk de grenzen tussen kunst, wiskunde, wetenschap en architectuur oversteeg.
Het overlijden van M.C. Escher in 1972 betekende niet het einde van zijn invloed. Zijn werk is wiskundigen, architecten, ontwerpers, filmmakers en kunstenaars blijven inspireren. Zijn onmogelijke trappen, eindeloos transformerende patronen en paradoxale ruimtes zijn uitgegroeid tot herkenbare symbolen van de wisselwerking tussen verbeelding en logica. Escher liet zien dat kunst niet hoeft te kiezen tussen schoonheid en intellectuele complexiteit. Zijn werken waren visueel boeiend en riepen tegelijkertijd diepgaande vragen op over ruimte, werkelijkheid, waarneming en oneindigheid.
Bronnen
* Wim Hazeu. (1998). M.C. Escher, Een biografie
* Schattschneider, Doris. (1990). Visions of Symmetry. W.H. Freeman & Co.
* Ernst, Bruno. (1976). De toverspiegel van M.C. Escher.
* Website Escher in Het Paleis.
* F.H. Bool, J.R. Kist, J.L. Locher, F. Wierda. (1982). MC Escher, His Life and Complete Graphic Work.

